In de materie: Hannelore Van Dijck

30/10/2017

Tijdens het tekenfestival Drawing Days dat eind september in Gent plaats vond, nam een imposant ‘Vlaggenveld’ de Bijlokesite in. Met dat werk dat Hannelore Van Dijck, samen met kunstenplek Manoeuvre en enthousiaste deelnemers maakte, demonstreerde de kunstenares duidelijk de kracht van het materiaal dat haar nog steeds helemaal in de ban houdt: houtskool.

 

Le Plat Pays, 2012, Voorkamer Lier. Foto: We Document Art. 

 

 

Je tekent met houtskool op papier, maar ook op muren of andere oppervlakken in grote ruimtelijke werken, zoals onlangs in de expo ‘How beautiful it is and how easily it can be broken’ in S.M.A.K. Waar komt je fascinatie voor houtskool vandaan?

Houtskool zit, net als Chinese inkt en potlood, in het pakket dat je in een tekenopleiding aangeboden krijgt. Ik heb allerlei soorten materiaal uitgeprobeerd. Tijdens mijn bachelorproef aan Sint-Lucas in Gent maakte ik nog gebruik van inkt, kleurpotlood, verf en houtskool. Tijdens het laatste jaar van mijn opleiding voelde ik wel de behoefte om één materiaal in al zijn facetten te leren kennen. Heel intuïtief viel mijn keuze op houtskool. Ik wou werken in zwart-wit en houtskool levert het diepzwart waar ik naar op zoek was. Ik kwam er ook achter dat ik er ruimtelijk werk mee kon maken. Houtskool kan grote ruimtes op relatief korte tijd aan, terwijl je er ook iets mee in detail kan neerzetten.

 

Ligt de aantrekkingskracht ook in de ‘touch’ van het materiaal, hoe het aanvoelt om er mee te werken?

Absoluut. Je handen maken heel direct contact met het materiaal. Je houdt het vast, wrijft het uit. Het werkt directer dan verf aanbrengen via een penseel of beitelen in steen. Het voelt eerder aan als kneden in klei, alsof je de materie aan het beeldhouwen bent. Tekenen wordt altijd omschreven als heel direct. Dat gaat voor werken met houtskool nog méér op, vind ik. Als dan ook nog het papier wegvalt en je rechtstreeks op een muur of een ander oppervlak werkt, krijg je een wel heel direct contact met het materiaal en de drager.

 

In 2011 stond je op de cover van Kunstletters, werkend aan een grote muurtekening, waarin figuratieve elementen de hoofdrol speelden. Als je je recent werk bekijkt, merk je dat de focus zich heeft verplaatst. Hoe is dat in zijn werk gegaan?

Tijdens de opleiding gebruikten we teksten die inspireerden om rond te werken. Ik merkte dat in mijn interpretatie stelselmatig alle personages verdwenen tot enkel de ruimtes en de context overbleven waarin een verhaal zich afspeelt. Zo kwam mijn focus meer op de structuren in de tekeningen te liggen. Die interesse heeft ook te maken met het fysieke aspect als je in een ruimte werkt. Dat wou ik, net zoals de mogelijkheden van houtskool zelf, verder onderzoeken. Mijn ruimtelijke werken gaan over de structuur, textuur, de tastbaarheid en het fysieke van een plek. Al tekenend zoek ik hoe je je verhoudt tot een ruimte.

 

De restanten van de fysieke daad van het wroeten met de houtskool laat je ook achter in de ruimte. Die resten maken dat je je als kijker erg bewust bent van de confrontatie met het werk. Je wordt er bijna letterlijk in getrokken.

Zeker, ook het binnenkomen in de ruimte, het dichterbij komen, maakt dan een deel uit van de kijkervaring. Als je dichterbij een beeld komt, dan voel je het voor je ontplooien. Het verandert je relatie tot dat beeld. Zo kan je met ruimtelijk werk inspelen op de intimiteit die je krijgt met een beeld als je er naartoe, van weg of rond wandelt.

 

Je spreekt ook over een band tussen zien en voelen.

Ik merkte dat mensen de neiging hebben om het werk of de houtkoolresten aan te raken, alsof ze willen voelen wat ze zien. Die band tussen zien en tasten heeft ook een duidelijke plaats in mijn werk. Mijn interesse om in te zoomen op het detail in tekeningen heeft daar ook mee te maken. Kijken en weten of iets nat is of zwaar is, bijvoorbeeld. Dat laat je tijdens het tekenen vragen stellen als ‘hoe speelt licht nu precies in op een volume?’ of ‘hoe baken je in 2D een volume af?’

 

Maakt het voor je manier van werken een groot verschil uit of je in een ruimte tekent of in de natuurlijke biotoop van je eigen atelier aan de slag bent?

Het aspect tijd maakt het anders. Als ik in een ruimte te gast ben, weet ik dat ik over een afgebakende periode beschik waarin een werk kan ontstaan. Meestal gaat het om twee weken. Dat is altijd een heel intensieve periode. Het is ook een fysieke uitdaging. Ik bouw op, wrijf uit en laat ook toevalligheden tijdens het werkproces het resultaat mee sturen. In mijn atelier ontstaan de werken op een heel ander ritme, die de gang van mijn dagelijks leven volgen. Ik trek ’s ochtends naar mijn atelier, begin aan een tekening, leg die weg, pak ze een dag, week, maanden of jaren later terug op. Het atelierwerk draagt een heel ander tempo in zich.

 

Tunnel, 2015, Bozar, Brussel. Foto: We Document Art. 

 

 

Stoort het je dat je werk op locatie uiteindelijk verdwijnt? Of heb je genoeg aan de tekeningen?

In mijn atelier, bedoel je? Als een werk af is, moet het uit het atelier. Ik zou het verschrikkelijk vinden om daar te worden omringd door mijn eigen tekeningen. Zolang je een tekening ziet, wil je er blijven op werken. Het blijft sowieso een moeilijk moment om te beslissen dat een werk af is. Al is er wel een moment waarop je beseft dat je een werk kan loslaten. Bovendien kwam ik er al doende achter dat houtskool het best functioneert in een tijdelijke omgeving. Het vergankelijke geeft het werk een fragiel karakter. Als je houtskool op papier gebruikt, moet je het goed fixeren en boet het werk onvermijdelijk een stuk aan karakter in.

 

Wat maakt een ruimte interessant om er in aan de slag te gaan?

Het moet gaan om een plek die kansen biedt. Om tot een soort verstilling te komen, bijvoorbeeld. Om de dans te voelen met het werk. Verloren plaatsen lenen zich daar goed toe. In een gewone leefruimte leef je, daar moet je geen afstand nemen om de ruimte te lezen. Een interessante plaats laat je toe om de hoeken op te zoeken, opzij te kijken, de ruimte te voelen.

 

Je vult met je werk grote oppervlaktes in een ruimte, maar kan je ook helemaal dagenlang concentreren op het tekenen van details. Hoe werken die twee uitersten samen?

Ook bij de werken op papier kan ik heel lang werken op kleinigheden in een tekening. Mijn beelden of composities zijn vaak heel eenvoudig, heel rudimentair. Maar binnenin dat eenvoudig werk zit een veelheid aan elementen. Dat spanningsveld tussen kleinste detail en het geheel maakt het voor mij interessant.

 

Untitled, houtskool op papier, 100 x 70 cm, 2016

Untitled, houtskool op papier, 100 x 70 cm, 2017

 

 

 

 

Share on Facebook
Share on Twitter
Please reload

RECENT

Please reload

Kunstletters is een uitgave van Kunstwerkt.